Afgelopen vrijdag trok een artikel in het FD mijn aandacht waarin wordt beschreven dat schuldeisers van Hunkemöller bij de Nederlandse rechter bot vangen. Aanleiding is een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin investeringsfondsen nul op het rekest kregen bij hun verzoek om inzage in stukken en een voorlopig getuigenverhoor. De uitspraak laat zien waar de grenzen liggen van het Nederlandse bewijsrecht.


Wat speelde er?

Verzoekers in deze zaak zijn investeringsfondsen die in 2022 via obligaties geld hebben uitgeleend aan Hunkemöller International B.V. Verweerders zijn de bestuurders van Hunkemöller.

In 2024 kreeg het Amerikaanse hedgefund Redwood in het kader van een herstructurering van de schulden een hogere rang (“up-tiering”) dan de fondsen van verzoekers. Daardoor nam de kans op terugbetaling van hun obligaties af. In 2025 volgde een tweede herstructurering, waarbij Redwood uiteindelijk de Hunkemöller-groep overnam en de fondsen hun obligaties kwijtraakten.

Het verwijt van de fondsen

Het verwijt van de fonsDe fondsen stellen dat deze herstructureringen heimelijk en onrechtmatig zijn uitgevoerd. Zij menen daardoor aanzienlijke schade te hebben geleden en houden de bestuurders daarvoor persoonlijk aansprakelijk. Om die aansprakelijkheid nader te kunnen onderbouwen, vragen zij de rechtbank om:

- inzage in diverse documenten en communicatie rond de herstructureringen;

- het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de bestuurders.

Het juridisch kader

De wet biedt partijen de mogelijkheid om inzage in stukken te vorderen, mits zij daarbij een voldoende concreet en rechtmatig belang hebben. Ook kan een voorlopig getuigenverhoor worden verzocht, maar ook dat verzoek moet voldoende specifiek zijn: duidelijk moet zijn over welke feiten en omstandigheden verklaringen worden verlangd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt in haar uitspraak van gisteren dat de verzoeken van de fondsen te algemeen en onvoldoende onderbouwd zijn. Volgens de rechtbank zijn de fondsen vooral op zoek naar mogelijke aanknopingspunten voor een toekomstige procedure, zonder concreet te maken welk ernstig persoonlijk verwijt de bestuurders precies zou treffen. Van belang is daarbij dat:

- geen enkele buitenlandse rechter tot nu toe een transactie nietig heeft verklaard of aansprakelijkheid heeft aangenomen;

- procedures in de Verenigde Staten en Engeland nog lopen;

- onvoldoende is toegelicht waarom de bestuurders persoonlijk onrechtmatig zouden hebben gehandeld.

Ook het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen. Het is volgens de rechtbank niet duidelijk over welke specifieke feiten of gebeurtenissen de bestuurders zouden moeten verklaren. De verzoeken missen daarmee de vereiste concreetheid.

Geen fishing expeditions

Een belangrijk uitgangspunt in het Nederlandse bewijsrecht is waarheidsvinding: procespartijen moeten de feiten die zij kennen inbrengen, waarna bewijs kan worden geleverd om die feiten te onderbouwen. Het bewijsrecht is echter niet bedoeld om eerst feiten te “zoeken” om pas daarna een juridische stelling te formuleren.

Als de feiten nog niet bekend zijn en de daarop gebaseerde stellingen niet kunnen worden geconcretiseerd, strandt een bewijsverzoek. Voor zogeheten “fishing expeditions” -het op goed geluk opvragen van stukken of horen van getuigen- is in het Nederlandse recht geen ruimte.

ECLI:NL:RBAMS:2026:346